LEENTJE KLEP

 

Door Henk Grotens

 

April 1991 – Etten-Leur- Terugkijkend op de gebeurtenissen die tot dit verhaal leidden verbaas ik mij nog steeds. Vlak na een welverdiende, doch te korte, vakantie werd ik benaderd door Toon Buckens, voorzitter van de Heemkundige Kring Jan Uten Houte.

Of ik een verhaal wilde schrijven over Leentje Klep. Deze puur Ettense vrouw was ooit zoiets als toeziend voogdes in het plaatselijke Paulushofje. Buckens bezat een cassette-band met daarop een interview, vlak voor haar dood in 1973 opgenomen. Of ik daar niet eens naar wilde luisteren….

 

 Argeloos zei ik ‘ja’. Twee tellen later realiseerde ik me, dat ik een verhaal zou moeten gaan schrijven over een vrouw die ik nooit heb gekend; over een gemeenschap die feitelijk niet de mijne was.

Een verhaal, ook dat kritisch zou worden gelezen door mensen die Leentje Klep ooit zagen rondschuifelen op de Ettense Markt.

 

De band klonk slecht, de interviewer ongeschoold. Maar er was iets….

De stem van deze vrouw klonk echt. Haar ultra-platte Ettens weerspiegelde een tedere oerkracht. Achter haar woorden hoorde ik warmte, humor en bescheidenheid.

Het was genoeg.

 

,,De pastoor vindt de voorzitter van Jan Uten Houte een deugniet”, merkt later emeritus-pastoor A. Zander van de Lambertusparochie op. Hij was een van Leentje’s religieuze chefs en leek een belangrijke informatie-bron. ,,Hij laat jou het boekje over Leentje Klep schrijven in plaats van het zelf te doen. De pastoor denkt, dat die voorzitter gedacht heeft dat jij meer aan de weet zou komen dan hij zelf, hoewel hij vaak bij de pastoor komt” In zijn kamer in Sint Francesco ondergaat Zander het gesprek als een eerste-graads kruisverhoor. ,,Ik heb slechte ervaringen met journalisten”.

Ook op andere plaatsen is de informatie over Leentje beperkt, zeer beperkt. Het schrijven van Leentje’s biografie lijkt een gigantische klus te worden. 

 

Hoofdstuk 2

 

De laatste moeder.

 

Zondag 14 januari 1973, een ijzig koude avond. In haar piep-kleine huis in het Paulushofje geeft moeder Leentje Klep zich voor het eerst van haar leven gewonnen. In het bijzijn van hartsvriendin en nicht Jo legt de 84 jaar oude vrouw zich neer bij de dood. Een markante persoonlijkheid in Etten is niet meer. ,,Ik hoor de klokken al luiden”, zegt ze enkele dagen voor haar dood tegen neef en oud-wethouder Toon Klep. Het was natuurlijk de hartslag in het hoofd. Maar Leentje, intens gelovig, denkt dat het de klokken zijn aan de hemelpoort.

Toon schrikt als hij zijn zwaar zieke tante ziet. Van het altijd nijvere bijtje is weinig meer over.  Haar gehemelte is helemaal weggeteerd. Haar toch al nietige gestalte lijkt nog kleiner tussen de lakens. Jo is voortdurend bij haar. Ze zal zelf kort na Leentje ook sterven. Een leven zonder Leentje is voor haar zinloos.

 

Leentje Klep, de allerlaatste moeder van het Paulushofje. Na haar door wenst niemand die rol nog te vervullen. Zelfs niet toen de stichting Paulushofje, verantwoordelijk voor het welzijn van het hofje, het salaris wilde verdubbelen. Niemand voelde zich geroepen om in de voetsporen te treden van deze vrouw.

 

Elke Ettenaar kende halverwege deze eeuw Leentje Klep. Weinigen wisten echt veel van die tanige vrouw, die de laatste jaren van haar leven steeds krommer gebogen rondstiefelde op het Paulushofje aan de Etten-Leurse Markt. Uit diverse gesprkken blijkt dat het een gesloten vrouw was, die volledig haar eigen gang ging. Contacten waren er voldoende, maar niemand wist kennelijk door te dringen tot haar ware aard.

 

Hoofdstuk 3

 

De Stemming

 

Leentjes carriere in het Paulushofje startte vlak na de oorlog. In 1947 werd Leentje benaderd door toenmalig burgemeester van Rooy en Deken Koopmans. Ze woont al geruime tijd in het hofje, als de functie van moeder vacant komt.

Of Leentjes voorgangster, Marie, nu overleed of in het gasthuis moest worden opgenomen is niet duidelijk. Maar de toen al 68 jarige Leentje zat niet echt te springen om haar taak over te nemen. ,,Ik wou het niet graag zijn, want ik was de jongste”, zegt ze tijdens een interview.

,,En dan over al die ouwe vrouwkes baas spelen dat viel niet mee. Maar er moest nou eenmaal iemand moeder worden. Ze zeiden tegen mij dat ik dat maar moest zijn.”  Leentje stemde niettemin in met een stemming onder de dertien bewoners van het Paulushofje. Ze werd met algemene aangewezen. Er was een blanco formulier. “Die was van mij”, legt Leentje uit. ,,Want ik kon toch niet op mezelf stemmen ?” Nog gaf Leentje zich niet gewonnen. “Ik wil het niet worden”, zei ze tegen de deken. ,,Want ik wil geen bidden aan huis.”  

Haar voorgangster had de gewoonte ontwikkeld om het dozijn damesvoor een dagelijks gebed uit te nodigen bij haar in huis. De Paulushof-bewoonsters zaten allemaal daarbij in een kring. Ieder moest zijn eigen stoeltje meebrengen. Een verplicht nummertje. Wie niet op tijd was kreeg boete. Leentje vond dat allemaal teveel gedoe. Ze dacht door haar weigering om die traditie voort te zetten toch nog onder de aanstelling uit t ekomen. De kerkelijke suggestie om het dagelijks gebed dan maar te verplaatsen naar een hoekhuisje, wees Leentje gedecideerd van de hand. ,,Te koud.”

 

Het moet gelegen hebben aan de aandrang die op haar werd uitgeoefend. Maar dat ze ‘een kwaaie’  in huis hadden gehaald, moet het bestuur zich onmiddellijk hebben gerealiseerd. De ‘heeren’ wensten koffie om de benoeming enige luister bij te zetten. ,,Wat nou koffie ?”, moet Leentje in die tijd geantwoord hebben. ,,Ik moet jullie koffie geven ? Jullie mogen die mij wel geven. Want ik moet jullie zaakjes opknappen.”

 

Een van de eerste besluiten die de nieuwe bewindvoerster nam was het dagelijks gebed om zeven uur ’s avonds te vervroegen. Heel handig verplaatste ze dat ritueel naar de uren tussen de middag. In het hoekpandje verbleven dan scholieren uit het buitengebied. Ze aten daar hun boterhammen en Leentje zorgde, tegen betaling, voor thee.

Ze had dan niet alleen overblijvende kinderen in haar hoekhuisje maar tevens enkele onderwijzers van de Lambertusschool. En die konden lekker vlug nabidden…. Leentje kreeg daardoor in elk geval de middag voor zichzelf.

 

Jos Schrauwen uit Etten-Leur, nu gepensioneerd onderwijzer, herinnert zich die middagsessies in het Paulushofje nog levendig. ,,Een aardige vrouw, die ons nog wel eens wat extra’s toestopte. Sigaretten bijvoorbeeld.”

Klompen voor de deur, binnen dikke boterhammen met spek. De boerenkinderen die tussen de middag kwamen schaften bij Leentje vormden een rijke bron van inkomsten. Dikwijls bleef wat over. Dat kreeg een goede bestemming. Veel te verteren hadden de dames van de hûskes niet.

 

Hoofdstuk 4

 

Rozenhoedjes en rabarbersap.

 

Drie rozenhoedjes werden in die middagzitting afgeraffeld en Leentje bad voor. Klokslag half een gong ze buiten staan met haar Paternoster, het teken voor de overige bewoonsters. Het gezelschap trok zich dan terug. Leentje besloot al gauw dat wanneer het te koud was er maar een rozenhoedje hoefde te worden gebeden. ,,Ik wist dat ik hevig buiten het boekje ging, maar de doodstraf was er af.” Ze hield de dames wel voor niets aan de deken te verklappen. Veel later verwaterde de bidstonde geheel. Handig manoeuvrerend met het kerkelijk gezag besloot Leentje dat thuis bidden bij de kachel even goed was. En dat deed ze veelvuldig.

 

,,Leentje bad voor alles en iedereen”, bevestigt Ben Josten, huidig gemeentesecretaris en bestuurslid van het Paulushofje.,,Als je binnen kwam en ze zat geen koper te poetsen.

In haar huisje glom alles als een spiegel. Ze gebruikte altijd het sap van rabarber. Had ze geen brei-of poetswerk, dan zat ze met de rozenkrans in de hand. Ze was altijd aan het bidden en ik denk dat het ook in haar persoonlijk leven een grote rol gespeeld heeft. Toen ik haar leerde kennen was het gemeenschappelijk bidden officieel al afgeschaft. Maar Leentje, zelf, heeft het tot de laatste minuut volgehouden. Je kon aan alles goed merken dat Leentje de baas, de moeder was.

Als bewijs dient de volgende anecdote. De eerste kleuterleidster van de openbare school deed in 1965 haar intrede.

De juffrouw kwam uit Goes en wou alleen komen als er door de gemeente voor huisvesting werd gezorgd. Het enige dat het college kon doen was de dame tijdelijk een woning toezeggen in het hofje. Maar daarvoor moest Leentje toestemming geven. Ze kende iedereen, behalve deze juffrouw. Ze moest dan ook eerst alle gegevens hebben over de kandidate. Pas nadat ze hoorde dat deze juffrouw familie was van de bisschop Hopmans gaf Leentje haar zegen.     

 

Leentje nam vaker een loopje met de autoriteiten. Met de bepalingen uit het Rijke Roomsche Leven deed ze dat allerminst. Leentje was een regelmatig bezoekster van de ‘geestbeschouwingen’ in het patronaat, de huidige Beuken. Daar was Leentje ook te vinden als er een toneeluitvoering was: zaterdags voor de vrouwen en ’s zondags voor de mannen. Leentje stookte de kachel en zorgde in de pauze voor thee. Dat patronaat vervulde een centrale rol in het leven van de Ettenaren. Men sprak over een klein patronaat en het groot patronaat. De jongsten gingen ’s middags naar het klein patronaat en de ouderen kwamen er ’s avonds. Rond het gebouw werd gevoetbald onder auspiciën van de kapelaan. Voor de grotere jongens van zestien tot achttien jaar stond er een biljartje binnen. ,,Maar het hing allemaal van ellende aan elkaar”, herinnert zich Toon Klep, een van de bezoekers uit die tijd. ,,Het was meer om de jongens van de straat te houden. Er was altijd een kapelaan aanwezig of een leider. Meester Lockefeer was dat. Maar als er een uitvoering was, dan zorgde tante Leentje dat de zaal klaar stond  en dat die verwarmd was. En dan zat ze in dat nisje. Ik zie het nog voor me. Ze had het toneelstuk soms al wel drie of vier keer gezien. Vroeger werden veel diep religieuze stukken gespeeld, als ,De ster met zoveel stralen’. Maar de mensen smulden. Ze konden dat wel honderd keer zien.

 

 

Hoofdstuk 5

 

Doofkolen en cognac.

  

Het leven was in die naoorlogse dagen niet gemakkelijk voor de dames van het Paulushofje. Leentje vertelt tijdens haar interview uitvoerig over het getob om met een minimum aan middelen rond te komen. ,,Heel vroeger kregen we doofkooltjes en turf. Met Kerstmis en met Pasen een groot krentenbrood. Maar als ze straf hadden kregen ze niks.”

Leentje doelt op het afval uit de haarden van welgestelde Ettenaren. Daarin bevonden zich vaak nog sintels, halfverbrande kolen. Er bestond een levendige handel in die kolen. Ze gingen in een keulse pot met deksel. Zeven kooltjes vooreen stuiver, was het tarief dat de dienstbode in zo’n deftig huis gemiddeld vaststelde.

 

De omstandigheden in het Paulushofje veranderden mettertijd. De haard deed er zijn intrede en de daarbij behorende vijf mud kolen per jaar. In 1961 kwam er zelfs centrale verwarming.

,,Wel aardig, maar je kunt er niet op koken”, reageerde Leentje in die tijd. ,,Voor dat doel bleef ze trouw aan haar kuipkacheltje, dat iedereen moest bewonderen. ,,Anders mis je wat”. Ben je, zogezegd naar Rome geweest en heb je de paus niet gezien.”  Leentje verhuisde wegens noodzakelijke verbouwingen tweemaal tijdens haar verblijf in het Paulushofje. Gaandeweg zag ze voor haar bekende vrouwen als Sjo Rode, Trien van Merode en Keeke van Elteren allemaal doodgaan. Alleen zij bleef over.

 

In 1972 moest Leentje naar het ziekenhuis. Had ze een breuk ? Een operatie bleek nodig.

,,Ik had zo’n grote aanwas”, houdt ze haar ondervrager voor, ,,en toen hebben ze die zo ver opengesneden.” Leentjes verhaal over het bezoek van dokter Mol is tekenend. ,,Onze Toon die had de dokter gewaarschuwd. Ik was niet ziek, maar wel bang voor de dokter. Ik volede me wat moe, maar ja, dat is den oude dage. De dokter kwam aan met zo’n ding om te onderzoeken. Maar dat kon  niet. Daarvoor moest ik naar boven en daarvoor was ik veel te moe.” ,,Ik ben bang van klimmen”, zei Leentje tegen Mol. Maar ze had aan de dorpsdokter een geducht tegenstander. Hij kende zijn pappenheimers. ,,Wanneer ga je naar bed ?”, informeerde de medicijnman achteloos. ,,Als ik zin heb”, was Leentjes antwoord. ,,En wanneer is dat ?,,Soms zes uur, soms tien uur”. ,,Ga nou vanavond eens om zeven uur naar bed”, stelde Mol voor. Leentje gaf aarzelend toe. ’s Avonds concludeerde Mol dat een specialistte hulp moest worden geroepen. ,,Dat moet dokter Karthaus zien.” ,,Komt die dan hier naar toe?”, informeerde Leentje. De mogelijkheid dat zij naar de specialist moest kwam niet bij haar op. Uiteindelijk zwichtte ze voor de argumenten van de dokter. Zeker toen die haar een rit met de taxi in het vooruitzicht stelde. ,,Ik kreeg een brief mee”, vervolgt Leentje haar relaas. ,,en voorrang”.

Drie dokters en een paar verpleegsters kwamen op me af. ,, Hedde dat al lang”, vroeg Karthaus. Ik zeg, ja dokter, dat weet ik niet. Er zijn toch dikke mensen en dunne mensen. Mijn moeder was ook nogal zwaar.” Leentje vond het gevraag van die dokter maar niks. ,,Ik ga naar huis. Waar hebben ze mijn klerengelaten ?”  ,,Gij gaat niet naar huis”, besliste Karthaus. ,,Ik heb niks meegebracht”, piepte de geschrokken Ettense, ,,ik was alleen maar gegaan om een boodschap te doen.” Er hielp geen lieve moedertje aan. ,,Er is hier van alles genoeg”, zei Karthaus kordaat. ,,Gij zijt hier en ge blijft hier”. Leentje dacht de volgende dag met het bezoek toch terug te kunnen keren. Maar dat liep anders. Twee volle lijdensdagen lang werd ze volledig in kaart gebracht. ,,Bloed aftappen en uitvragen en alles en nog wat.

De ene dokter na de andere, o god toch, dacht ik, wat zal er nou gaan gebeuren.” De specialist vroeg naar haar werkzaamheden en of ze wel eens alcohol gebruikte. ,,Nou”, antwoordde Leentje, ,,ik heb zo gezopen. En cognac heb ik het liefste. Krijg je daar ook een aanwas van ?

Leentje werd geopereerd. Tegen wil en dank. Later kan ze om het hele verhaal lachen. ,,Ik heb er nooit meer last van”, zegt ze. ,,Het is allemaal goed genezen. Ik heb geen kwaaiïgheid in mijn lijf, het is allemaal goed. Het Meuleneind is altijd vruchtbaar en gezond geweest. Ze worden er allemaal even oud”.

 

Hoofdstuk 6

 

De familie.

 

Leentje’s credo luidde. ,Ge het ut veul slecht als ge oe gemak houdt’. Ze vond het gezelliger ,als ge wat doet. ,,Als ge niks te doen hebt, dan vallen de dagen lang”. ,,Ik kan ook niet stil zitten”, verkondigt ze regelmatig.,,Als ge nou heel de dag moet gaan liggen, dan zijde deurgelegen”. Toon Klep, zoon van Leentje’s broer Piet, kent zijn tante vanaf kindsbeen. ,,We kwamen daar regelmatig. Ze waren er kennelijk niet zo trouwlustig. Er zijn eigenlijk maar vier van de elf getrouwd. De oudste, tante Jans, mijn vader,  oom Toon en oom Kees. De rest bleef vrijgezel en in het ouderlijk huis bij elkaar. Ze hadden er een bouwbedrijf en een boerderij waar nou onze Willem (Klep) woont op de Bisschopmolenstraat.

Een ruim pand met een forse kalkschuur met grote deuren. Dat werd later de kazerne. Die is nou ondertussen weer afgebroken. Grootmoeder Klep herinnert zich Toon ook nog. Ze overleed in 1933, 85 jaar oud. ,,Mijn grootvader Piet, die heb ik niet meer gekend.”

De klompenmaker  Piet stierf  betrekkelijk jong op 43-jarige leeftijd in 1888. Hij trouwde in mei 1870 met het naaistertje Antonia Peijs. Er was haast met het huwelijk, want op 30 augustus in dat zelfde jaar kwam de eerste telg ter wereld: Johanna, in de wandeling: Jans.

 

Moeder Klep bracht elf kinderen ter wereld daar aan het Moleneind, zoals de Bisschopsmolenstraat vroeger werd aangeduid. Janus, haar oudste jongen stierf jong na een bloedvergiftiging. ,,Een fout van dokter Van der Maas”, herinnert Toon zich. Na de door van moeder, ontstond een wat gespannen situatie in huize Klep. Drie vrouwen bleven over om de zaakjes te regelen. Mina, Leentje en de jongste, Jo. Dat werd een zaak van drie kapiteins op een schip. ,,Tante Leentje die was zo proper, een kraakhelder vrouwtje. Tante Mina was meer voor de boerderij en tante Jo, dat was een ,,dusseltje”. Tante Mina vond dat het werk op de akker geld opbracht. Huishoudelijk werk kon haar daarom gestolen worden. Leentje combineerde het huishoudelijk werk met dat op de akker. De uiteenlopende karakters van Mina en Leentje botsten hevig. De buitenwereld heeft er nooit het fijne van gehoord, maar er lijken harde woorden te zijn gevallen.

Het gevolg was in ieder geval dat Leentje, toen 55 jaar, haar biezen pakte. Geen gemakkelijke

Stap in een tijd zonder opvanghuizen. Je moest blij zijn als er ergens een kamertje vrijkwam.

De,,huiskes” werd Leentje’s nieuwe woonoord en in het ouderlijk huis zette ze nooit meer een stap.

 

Het hofje was feitelijk bedoeld voor arme vrouwen. Maar Leentje’s toelating in het Paulushofje was waarschijnlijk gebaseerd op sociale motieven. Leentje was niet echt armlastig. De familie Klep bezat grond, een geit en een aantal varkens en achter het huis stonden fruitbomen. Daarmee kon de familie zich goed bedruipen. Na Leentjes vertrek behield ze haar erfdelen van al de grond. Van de opbrengst kreeg ze echter niets. Leentje was er de vrouw niet naar om daar lang over te tobben. ,,Daar was ze te kordaat voor”, zegt Toon Klep. ,,Het was geen vrouwtje van huilbuien of zo”. Hij denkt dat Leentje zich tot het bestuur van het Paulushofje heeft gewend en de situatie heeft uitgelegd.

,,Daar is kennelijk begrip voor opgebracht.” Leentje kon komen.

 

Waarschijnlijk heeft ze bij haar verhuizing wel haar rechten doen gelden op diverse meubelstukken in het ouderlijk huis. ,,Ze had in het Paulushofje heel veel antiek” weten haar bezoekers. Kennelijk is er wat dat betreft een regeling getroffen tussen de drie zussen en hun broers.

Hoe Leentje na haar verhuizing in haar onderhoud voorzag blijft onduidelijk. Wellicht heeft ze toch enig spaargeld meegenomen. Anderzijds zweven er berichten als zou ze in plaatselijke café’s hebben gewerkt. Anderen menen dat ze bij huisarts Vermeulen in dienst was. Tien jaar later kreeg ze net als elke oudere haar AOWtje.

 

,,Met nieuwjaar moesten we als kinderen alle ooms en tantes Nieuwjaar gaan wensen.”, vertelt Toon Klep. ,,Dat hoorde gewoon zo. We gingen dus dan ook naar tante Leentje in het Paulushofje. Het was een grote familie, dus het huiske zat dan stampvol. Die rondtocht was een kruisweg, in de goede zin van het woord. Overal chocolademelk. En je zou het niet gewaagd hebben te weigeren.” Leentje was een heel bedrijvig mens in de ogen van Toon. ,,Nog een bakje, Toon. Heb je het al leeg ?” Persoonlijk contact met haar krijgen was voor hem evenwel moeilijk. Iedereen kreeg gelijke aandacht. Bovendien was er voor de kinderen het leeftijdsverschil. ,,Leentje was dik veertig jaar ouder dan ik. Een kind van tien tegenover een vrouw van 53. Vroeger werd de ouderdom veel meer gerespecteerd als nu. Toen vond je iemand van 53 oud.”

 

Toon was altijd welkom bij tante Leentje. ,, Maar ze was altijd bezig. Lang aan tafel zitten kon ze gewoon niet. Er moest activiteit zijn. Het was altijd een hartelijk menske, maar geen type van ,zo nu gaan we eens lekker buurten.’

 

In Etten-Leur bevinden zich drie verschillende families Klep. Op Leur woonden, volgens Toon Klep de arbeidersfamilie. Op Flaterbos woonden de landbouwende Kleppen. In Etten resideerden Leentjes stam. Aannemers, bouwers. Toon Klep vermoedt dat heel, heel vroeger, rond 1730, er een familie Klep was. Eigenaar van de Etna fabrieken. Ook bestonden er familiebanden met Mol. Volgens de overlevering was er ene Martien Klep, het zwarte schaap van de familie, die zich van de stam afscheidde en daar zou dan de Ettense Kleppen vanaf stammen.

 

Hoofdstuk 7

 

De moeder.

 

Huidig gemeentesecretaris Ben Josten maakte ook kennis met de moeder van het Paulushofje. ,,Ik kwam in Etten-Leur in 1961. In de functie van gemeentesecretaris was het  bestuurslid-

maatschap van het hofje inbegrepen. Toenmalig voorzitter, deken Koopmans had heel veel waardering voor Leentej. Hij heeft waarschijnlijk de achtergronden beter gekend. Hij had een hele hoge pet op van haar.” Josten zag moeder Leentje, hoe klein ze ook was, altijd met een heel positieve instelling. ,,Altijd was alles goed in het hofje. Als we eens iets wilden veranderen of repareren , dan zei Leentje altijd dat dat nog niet hoefde. ,,Het is nog lang niet rot, hoor. Maar als je het wil betalen, dan mag je het laten doen”.

 

,,Het was een schat van een mensje”, vervolgt Josten. ,,En er ontging haar niets. Zomer of winter, als er iets gebeurde op het hofje, had Leentje het gezien. ,,Als je er geweest was zonder bij haar aan te kloppen, dan kreeg je dat de volgende keer wel op je brood.”

 

Elke eerste week van januari maakte Josten officieel zijn opwachting in het Paulushofje. ,,Ik moest dan15 gulden gaan brengen. De vergoeding die Leentje jaarlijks kreeg voor haar moederschap.” Leentje betaalde, evenals de andere dames geen huur voor hun woning. ,,Dat bleef zo tot na de eerste grote restauratie van 1961. Die restauratie is door de gemeente en het bestuur uitgevoerd. Ik weet nog dat daarvoor ik toestemming heb moeten vragen aan Gedeputeerde Staten. Ook Justitie werd betrokken bij het voorstel om huur te gaan heffen voor de woningen in het hofje. De oude legaten bepaalden immers dat de toch al armlastige dames er kosteloos mochten verblijven.

 

De komst van mannen op het hofje heeft Leentje nooit veel hoofdbrekens gekost. Enige tijd na de oorlog woonden er een tijd lang een moeder met haar zoon. Ze verbleven er met toestemming van deken Koopmans, in afwachting van een huis. Leentje accepteerde dat, maar wel onder voorwaarde dat er snel aan een andere woning werd gewerkt. Later leefde er ook een vrouw in het hofje die een aantal jaren van haar man af was.

Het koppel vond elkaar uiteindelijk toch weer. Leentje vond het, bij wijze van uitzondering, goed dat de twee bij elkaar in het hofje verbleven.

Leentje had iets. Ze straalde een charisma dat velen aansprak. Josten herinnert zich het bezoek van toenmalige Commissaris der Koningin Kortman. Leentje stond die man in gewoon Ettens te woord en maakte diepe indruk.

De heropening van het Paulushofje in 1961 viel samen met de die van het verbouwde gemeentehuis. Alle dames van het hofje waren gekleed in middeleeuwse kleren. Juffrouw Angenent, de bibliothecaresse, had daar voor gezorgd. Het was een schitterend gezicht.

Bekend is ook dat Leentje iedereen in haar huisje binnen liet. Wie het ook was, ze was van niemand bang. Ook ’s avonds niet. In die tijd ging ook nooit meer, zoals vroeger, de poort op slot. Er brandde uit zuinigheids-overwegingen nooit licht in Leentjes huis. Maar het was net of ze katteogen had. Ze zag alles. Maar ook Ben Josten kreeg van Leentje niet meer te horen, dan dat ze kwijt wilde. Elke vraag in de richting van haar leven aan het Moleneind werd afgewimpeld. Dat boek bleef hermetisch dicht.

 

Na de restauratie van 1961 kregen de dames een gemeenschappelijke douche. Het zal voor de nodige consternatie hebben gezorgd. Maar al gauw raakte men gewend aan deze vorm van luxe. Een van de bewoonsters bezat een hond. Het leek haar een goed idee het beest mee te nemen bij haar wekelijkse badbeurt. Leentje maakte er kordaat een einde aan. Met behulp van Jo slaagde ze er in de deur aan de buitenkant te openen en wierp een emmer ijskoud water naar binnen. Hond en bazin moeten het op een afgrijselijk janken hebben gezet. Het beest durfde nimmer meer in de buurt te komen van de douche. Op die manier hield Leentje er de wind onder in haar Paulushofje.

 

Leentje had grote moeite met het betrekken van de bank bij haar maandelijkse of wekelijkse betalingen. Liever zorgde ze dat iedereen persoonlijk zijn geld kreeg. Begin zestig werd de huur van de huisjes wekelijks geïnd door de gemeentelijke huurophaler. Vrij snel stopte de gemeente met het ophalen van de huur en moest het geld  worden overgemaakt via bank of giro. ,,Leentje heeft dat lange tijd tegen gehouden”, weet Josten. ,,De meeste hadden allang een automatische overschrijving. Maar dat ging Leentje al helemaal veel te ver. Ik geloof niet dat ze daar ooit voor heeft getekend. Ze betaalde altijd keurig op tijd, maar verder ging ze niet.”

 

Pastoor Zander stond van 1968 tot 1980 aan het hoofd van de Lambertusparochie in Etten-Leur. Hij beschrijft haar als een lieve, enigszins gedecideerde, moeder van het Paulushofje.

,,Ze wist wat ze deed.” Hij wil verder niet veel kwijt over zijn contacten met Leentje.

,,Een voorval kan ik me goed herinneren. Daar kan ik een bewijsstuk van aandragen. Dat staat hier tegen het raam. Op een zekere dag zei Leentje Klep ,,Hier heb ik iets waar ik niet goed raad mee weet. Maar mijn familie gooit dat toch maar weg.” Het was een verzamelbidprentje uit de 16e, 17e eeuw. Ik heb het afgestaan aan het bisschoppelijk museum in Breda, waar men het heeft ingelijst. Nu heb ik het weer terug. Het is iets unieks. Zo zijn er maar twee in Nederland.”

 

En zo liet Leentje Klep, laatste moeder van het Paulushofje een geschenk achter, even uniek als zijzelf. Klein, nietig, maar veelzeggend.         

 

 

Overgenomen uit Drie Opmerkelijke Vrouwen in d’Hûskes 20 van Heemkundekring

Jan Uten Houte met mondelinge toestemming van Toon Buckens op 7 oktober 2006.