|
door
C.A./.L. van Nispen en C.B.M. Uitdehaag-de Rooy
Op
woensdag 16 juli 1766 had de jaarlijkse verpachting plaats van de tienden van
de St. Maartenspolder.
Dit
gebeurde in het rechthuis annex herberg de Andenqueecq.
Voor veel
boeren was dat een gelegenheid om er eens een dagje uit te zijn. Ze waren niet
alleen benieuwd, wie de tiendpachters zouden worden en voor welke bedragen, maar
ze konden ook eens onder elkaar zijn en wat bijpraten. Er werd natuurlijk goed
gedronken. Ook de 'held' van ons verhaal Marijnis Hellemons (ook Helmonts of
Van Hellemont) ging 's morgens naar de Andenqueecq. Onderweg werd hij
ingehaald door Lambertus van Nuenen (ook van Unen) van Kuivezand onder Oud
Gastel, met wie hij verder opliep. Het werd een drukke boel in de Andenqueecq
en eerst vroeg in de avond, zo rond acht uur, druppelden de bezoekers
huiswaarts.
De familie
Hellemons woonde over heel West-Brabant verspreid. Marijnis Joosten Hellemons
was op 14 januari 1733 te Hoeven gedoopt als zoon van Judocus (ook Josephus
of Joos) Marijnis Hellemons uit diens tweede huwelijk met Geertruij Janse van
Eekelen; zijn eerste vrouw was Anna Dingemans Schonck. Vader Joos boerde op een
eigen hofstede op het Gors te Hoeven; hij pachtte nog land van de familie
Otgens.
Hij zelf
was afkomstig van Roosendaal en zijn vrouw Geertruij van Oudenbosch.
Marijnis
huwde te Oud Gastel op 18 februari 1759 met Adriana Dam, die daar op
........
...
26 januari 1733 was gedoopt als kind van Petrus Dam en Elisabeth
van den Brant. Uit het huwelijk Hellemons-Dam waren tot 1766 drie kinderen
geboren, van wie Marijnis, gedoopt op 11 maart 1762, jong was gestorven.
Verder waren er twee dochtertjes:
Elisabeth,
gedoopt op 4 januari 1760, en Gertrudis, gedoopt op 22 oktober 1764.
Marijnis
Hellemons huurde van de familie De Clercq uit Stavenisse een hofstede met huis en
schuur op het Gors met 35 gemet en 274 roede land eraan voor een jaarlijkse
pacht van 8 gulden per gemet. Hij hoorde dus, evenals zijn vader tot de
categorie van de Hoevense 'grote' boeren. Dit blijkt ook uit zijn veestapel
en landbouwinventaris.
's Heren
dienaar en gezworen bochter Anthony Janssen Biemans kuierde met Van Nuenen
van de watermolen over de Poldersdijk. Waarom Van Nuenen nu het gezelschap van de
bochter verkoos. weten we niet. Het kan een toevalligheid zijn. Had Biemans
in de Andenqueecq misschien aanleiding gegeven tot enige ergernis?
Biemans
was in het livrei van de abt van St. Bernards. Zonder enige duidelijke
aanleiding duwde Van Nuenen Biemans plotseling van de dijk. Weer
opgekrabbeld vertrouwde Biemans het niet meer en wilde teruggaan naar de
watermolen. Zijn belager hield hem echter tegen en voegde hem toe: 'Zoo gij
zulcx doet zoo zal ik u den hals breken'.
Dat was
natuurlijk geen prettig vooruitzicht. Biemans vervolgde met Van Nuenen de weg
naar het Gors. Onderweg werden ze voorbij gelopen door Hellemons. Die
schudde zijn hoofd en zei tegen Van Nuenen: 'Dat is den regten voogel
niet'. Hieruit kon Van Nuenen opmaken, dat Biemans geen al te beste vriend
was van boer Hellemons. Bij het huis van Aart Moerkens (ook Moerkints)
tegenover het Hendrik Moerkensstraatje op het Gors scheidden hun wegen.
Maar hier wachtte Hellemons Biemans op en snauwde hem toe: 'Schobbejak, wat
heb je van mij gezegd?' Biemans was zich van geen kwaad bewust en zei:
'Buurman, ik heb niks van jou gezegd'. Zonder verdere woorden sloeg daarop
Hellemons met een flink stuk hout op Biemans in. Hij gaf zo'n zware klap,
dat deze tegen de grond viel. Hellemons sloeg echter door. De klappen kwamen
goed aan en Biemans riep in doodsangst uit: 'Sla mij niet dood'. Wat Hellemons
bezielde, is niet duidelijk, maar het was of de duivel in hem gevaren was.
Het
lukte Biemans op te krabbelen en in paniek vluchtte hij bij Aart Moerkens
langs de achterdeur binnen. Hier kon de schade worden opgenomen: de bochter
was gewond aan zijn hoofd, beide armen en een been. Na de man wat
gekalmeerd te hebben bracht Moerkens, samen met zijn twee zoons, hem naar
huis. Op de plaats aangekomen zei Biemans: 'Daar heb ik van Hellemons het
pak slaag gekregen'.
Het
blijkt dat Van Nuenen, die in de richting van de Oliestenenbosschen liep,
iets van
de
vechtpartij had gehoord. Hij was teruggegaan, maar Biemans was toen al gevlucht.
Met Hellemons ging hij vervolgens naar diens boerderij. De boer moet nogal gejaagd
zijn geweest en op de vraag, waarom hij zo geschrokken was, antwoordde hij de
dienstmeid Maria Commissaris - die nog maar amper veertien dagen in dienst
was - dat hij zijn buurman Biemans een pak rammel had toegediend. Ik heb er
daar een geradbraakt', waren letterlijk zijn woorden. Hij gaf zijn
dienstmeid opdracht naar de plaats te gaan, waar het gebeurd was en het
eventueel aanwezige bloed met enkele
scheppen
zand onder te dekken. Zij moest ook kijken, of ze daar het corpus delicti, dus
het bewuste stuk hout, kon vinden.
Hellemons
nodigde Van Nuenen uit voor het eten. Aan tafel vroeg hij om hem niet te verraden
('dat hij hem niet moeste beklappen'). Hij nam Van Nuenen onder de
maaltijd mee naar buiten. maar wat zij toen bekokstoofd hebben, is niet
bekend. De ongerust geworden vrouw van Hellemons had wel getracht
erachter te komen door aan de buitendeur te gaan luisteren, maar haar is
hierover later niets gevraagd. Als zij al iets gehoord zou hebben, zij
heeft er tegenover derden niets over los gelaten.
Van Nuenen
heeft na het eten nog even zitten buurten en is toen naar huis gegaan.
Onderweg
dronk hij nog een pint bier in Oudenbosch bij De Greeft aan de Kaaij. Om elf
uur 's avonds was weer thuis op Kuivezand.
De
andere dag ontbood Biemans de chirurgijn Jozef de Wolft uit Oudenbosch.
Deze constateerde twee hoofdwonden, een open duim aan de rechterhand en
breuken aan beide armen. Hij verbond de wonden en gaf zijn patiënt
medicijnen. Voor deze en verdere behandeling werd later aan Biemans een
rekening gepresenteerd van maar liefst 74 gulden en 4 stuiver.
Maar
De Wolft deed meer. Hij stelde, al dan niet met medeweten van Biemans de drossaard
van het Oostkwartier van het Markiezaat Harmanus Rudolfus Banier van het
gebeurde op de hoogte.
Deze
laatste gaf opdracht aan de Hoevense schepenbank om Biemans een beëdigde
verklaring hierover te laten afleggen.
Dit
gebeurde op 17 juli 1766. De schepenen Judocus van Campenhout en Adriaan
van Eekelen
gingen
naar Biemans en lieten zijn relaas vastleggen. Door de 'sware pijn en
wonden' was Biemans niet in staat om zijn verklaring te ondertekenen. Ook
chirurgijn De Wolft maakte op 19 juli 1766 een verklaring op, waarin hij
zijn bevindingen neerlegde.
De genoemde
schepenen hoorden op verzoek van de drossaard op dezelfde dag Arnout Moerkens.
De
zoon van Moerkens werd ook gedagvaard. Blijkbaar had hij weinig nieuws te
melden en aan zijn verklaring is verder geen aandacht besteed. Hetzelfde geldt
voor Mels Steenmans (ook Melchior van Steen), eveneens een bewoner van het
Gors, en de vrouw van Aart Moerkens, die op 24 juli 1766 werden
opgeroepen.
Ook
aan Lambertus van Nuenen schijnt toen nog via de schepenen een beëdigde verklaring
te zijn gevraagd, maar die is niet teruggevonden. Wij weten dus niet of
hij verantwoording moest afleggen voor het van de dijk duwen van de
bochter.
Banier
had met de verzamelde stukken en inlichtingen voldoende reden om de
schepenbank voor te stellen 'dewijle dit saaken zijn van seer dangereuse
[gevaarlijke] en pernicieuse [verderfelijke] gevolgen' om Marijnis
Hellemons in persoon voor het gerecht te dagvaarden om tegen hem een
criminele procedure te beginnen. Tegen Van Nuenen, die toch de bochter
van de dijk had gegooid, werd geen actie ondernomen.
Op 1
augustus 1766 verscheen Hellemons voor het gerecht. De schepenbank bestond
uit Anthony van Wijtvliet, Adriaan van Eekelen, Jan van de Riet, Adriaan Huijbrechts
en Judocus van Campenhout; Jan Simon KuijpersB en Johan Fabricius waren
absent.
Bartholomeus
van Lis uit Oudenbosch trad op als procureur voor de eiser drossaard Banier.
Hij
verzocht de schepenbank de gedaagde Hellemons op een aantal door de eiser
opgestelde punten te doen ondervragen. Het bleek, dat Hellemons zich
goed had laten voorlichten. Hij legde een 'notul' over. een op schrift
gesteld verweer. Hierin beriep hij er zich op, dat hij gedagvaard was
enkel en alleen om de 'eis en conclusie' te horen, maar niet om te
antwoorden. Het verzoek van de eiser moest dus naar zijn mening wegens een vormfout niet-ontvankelijk worden verklaard.
De dagvaarding noemde bovendien niet de gronden waarvoor hij in persoon
moest verschijnen.
Natuurlijk
was Van Lis het hiermee niet eens. In verband met de weigering van Hellemons
om te antwoorden diende naar zijn mening de gedaagde in gesloten
hechtenis te worden genomen. Hellemons bond toen in en verklaarde zich
alsnog bereid te antwoorden.
Bij
die ondervraging door schepenen kon hij natuurlijk niet ontkennen, dat
hij zijn buur-
man
Biemans kende. Maar dat deze ook de ‘geauthoriseerde bogter van den
heer over de Sint Maartenspolder' was, wist hij niet. Biemans had
inderdaad voor hem wel eens beesten gebocht, maar naar zijn mening zou
dit gebeurd zijn op last van de eigenlijke bochter Jan van Cappelle. Op
de vraag, of hij over het bochten van zijn beesten wel eens ontevreden
was geweest en tegen de bochter moeilijk had gedaan, antwoordde hij
kortweg met ‘neen'. Alles wat over het gebeurde op de avond van 16 juli
1766 werd gevraagd, ontkende hij ten stelligste: hij zou alom ongeveer
zeven uur 's avonds naar
huis
zijn gegaan en had op de terugweg Van Nuenen noch Biemans gezien; alom
half acht was hij thuis gekomen. Daar trof hij alleen zijn vrouw,
knecht Willem (die daarna steeds aangeduid werd met de voornaam
Willebrord of Willebrordus) Vermunt en de meid Maria Commissaris.
Laatstgenoemde was op het moment dat hij dit verklaarde, niet meer in
zijn dienst, maar waarheen zij vertrokken was wist hij niet.
Het
is begrijpelijk dat Van Lis met deze antwoorden niet tevreden was. Hij
verzocht namens eiser om acht dagen later de gedaagde opnieuw op te
roepen ten einde nader gehoord te worden. De schepenen gingen hiermee
akkoord.
Op 8
augustus 1766 werd Hellemons opnieuw aan de tand gevoeld. De eerste
vragen gingen over zijn dienstmeid Maria Commissaris. Die had het in
het gezin van Hellemons maar veertien dagen kunnen volhouden. Volgens
Hellemons had zij zelf om hem onbekende reden de dienst opgezegd. In
ieder geval had hij haar niet weggejaagd, zoals door de ondervragers
werd gesuggereerd. Hij ontkende haar op de bewuste avond gezegd te
hebben, dat hij de bochter Biemans in elkaar had geslagen. Hij had haar
ook geen order gegeven om het bloed bij het Hendrik Moerkensstraatje te
bedekken, evenmin om naar een stuk hout te zoeken. De schepenen moesten
ook vragen, of hij voor het bochten van zijn vee boete en
schadevergoeding verschuldigd was geweest. Dat laatste had hij betaald
aan Jan van Cappelle,
maar
aan wie hij het bochtgeld had betaald, kon hij zich niet meer
herinneren: of aan ene Segers,
of aan Biemans, of misschien aan Segers en Biemans samen. De beesten
waren door Biemans gebocht. Hij wist overigens niet, dat Biemans de
officiële bochter was. De schepenen vonden het maar raar, dat hij
berust had in het bochten door een niet-gerechtigde en zich daarover
niet beklaagd had zoals het behoorde.
Hellemons
hield zich van de domme en zei dat hij daar geen verstand van had. Ook nu
hield hij vol de bewuste avond op de thuisweg van de Andenqueecq naar
het Gors niemand gezien of gesproken te hebben. De laatste van de 33
vragen was, 'off zijn vrouw de volgende dag niet heel droevig was
geweest en hem had gevraagd: "Mijn God, wat heb je gedaan?'''.
Hellemons ontkende ook dat. Uit de gestelde vragen is wel duidelijk,
dat inlichtingen waren ingewonnen bij Maria Commissaris, maar haar
verklaringen
zijn - althans onder haar eigen naam - niet officieel vastgelegd. Uit
de kosten opgave van de vorster Casper Kok weten we alleen. dat deze
op 31 juli 1766 naar het huis van Huijpregt Gille (is Huijbrecht Gielen in
de Rucphense Achterhoek) was gegaan om te informeren 'waar de meid
van Hellemons was'. Wel werd de knecht Willebrordus Vermunt gehoord.
Hij verklaarde dat zijn baas 's avonds tussen acht uur en half negen
was thuisgekomen. Vermunt was hem in het straatje tegemoet gegaan.
Hellemons
was toen in het gezelschap van Van Nuenen, die mee naar de boerderij ging.
Veel kon (of wilde) Vermunt niet meer toevoegen.
Diezelfde
dag nog kwam de vierschaar met drossaard Banier bijeen. De procureur Van
Lis constateerde, dat Hellemons zich met leugens trachtte vrij te
pleiten. Hij verzocht daarom de gedaagde te doen arresteren en in
strikte of gesloten gevangenis te houden, of hem althans tenminste in
gijzeling te nemen. Van Lis was bang, dat Hellemons door te vluchten
zich aan de justitie zou onttrekken. De schepenen wilden hierover
niet beslissen zonder een advies van twee onpartijdige
rechtsgeleerden.
Van
Campenhout zou dat met de substituut-griffier Fabritius in Breda bij
J. Cheeuws en J.A. van Goor den Oosterlingh gaan inwinnen.
Het
juridisch advies kwam op 11 augustus 1766 in Hoeven aan. De
rechtsgeleerden hadden de verklaringen van chirurgijn Jozef de Wolft,
bochter Biemans, Van Nuenen en Arnout Moerkens en de antwoorden van
Willebrordus Vermunt op de hem gestelde vragen gezien. Ook was een
beëdigde verklaring van Maria Thomasse van Aart overgelegd, maar die
naam kunnen we in dit verhaal niet plaatsen. Het blijkt echter dat daarmee
Maria Commissaris, althans de dienstmeid van de familie Hellemons op
16 juli 1766 wordt bedoeld. Deze verklaring is echter in het archief
niet teruggevonden.
Het
advies was overigens positief voor de eis van de drossaard.
Daags
nadat het advies was ontvangen, kwam de schepenbank bijeen om het te behandelen.
De drossaard volhardde in zijn eerder gedaan verzoek en unaniem besloten
de schepenen de drossaard toestemming te geven om Hellemons in
hechtenis te doen nemen, hem in strikte gevangenis te houden en tegen
hem een criminele procedure te beginnen. Voorts kreeg de drossaard
toestemming om na de inhechtenisneming de goederen van Hellemons te
inventariseren.
Diezelfde
dag werd Hellemons door de gerechtsdienaar opgehaald en in de
gevangenis opgesloten, waar hij streng bewaakt werd en geen bezoek
mocht ontvangen. Zijn goederen werden geïnventariseerd.
Ondervraging
en confrontatie
Al
op de dertiende augustus 1766 werd Hellemons even uit het cachot
gehaald om een 38-tal vragen te beantwoorden. Hij wordt dan aangeduid
als 'geapprehendeerde en gedetineerde alhier'. Over het bochten van
zijn kalveren wist hij zich nu te herinneren, dat hij hiervoor tussen
de 7 en 8 gulden zou hebben betaald aan Segers; de schade was
verrekend met Jan van Cappelle. Voor de rest volhardde hij in zijn
reeds eerder gedane verklaringen: hij wist van niets. De laatste
vraag was, of hij geen berouw had, dat hij Biemans zo vreselijk had
mishandeld, maar hij was er zich niet van bewust Biemans iets misdaan
te hebben.
Op
15 augustus 1766 kreeg hij opnieuw een zestiental vragen voorgelegd,
maar zijn ondervragers werden ook nu weer niets wijzer. Aan Lambertus
Van Nuenen werden die dag als getuige 42 vragen gesteld. Hij bleek
kort van memorie te zijn en vertelde niet meer dan hij kwijt wilde.
Maar de feiten waar het omging moest hij wel bevestigen.
Voor de tweede maal die dag werd Hellemons ontsloten. Hij
werd nu geconfronteerd met Van Nuenen, Aart Moerkens en zijn knecht
Vermunt. Hij verklaarde desgevraagd dat hij deze getuigen voor
'eerlijke luijden' hield. Wel gaf hij nu toe, dat hij in de
Andenqueecq had gezien, dat Biemans het livrei van de abt van St.
Bernards droeg.
Ofschoon
zijn neen tegen het ja van de drie anderen werd gelegd, bleef hij
aan zijn eigen versie vasthouden: hij had niets misdaan en hoefde
dus ook geen berouw te hebben. Hellemons en Van Nuenen
ondertekenden dit nader verhoor; Moerkens en Vermunt moesten
volstaan met een kruisje.
Na
twee nachtjes slapen - nou ja, slapen? - moet Hellemons tot de
conclusie zijn gekomen, dat ontkennen geen zin meer had. Alles was
tegen hem. Tegenover de schepenen bekende hij vrijwillig, zonder
dat er drang op hem was uitgeoefend ('los en liber') Anthony
Biemans 'deerlijk geslagen en mishandelt' te hebben, zonder dat
hiervoor de geringste aanleiding was geweest. Als excuus bracht hij
naar voren, dat hij
'door
de drank bevangen en seer beschonken' was geweest. Hij toonde
oprecht berouw. Wat ons te denken geeft is, dat tot dan toe niemand
van de getuigen van dronkenschap had gewaagd. Over eventuele
problemen over het bochten van zijn vee met de bochter Biemans werd
niet meer gerept.
Deze
bekentenis leek een versnelling in de zaak te brengen. Op 19
augustus 1766 kwam de Hoevense vierschaar weer bijeen. De drossaard
als eiser bracht opnieuw de beschuldiging naar voren en legde alle
stukken over. Hellemons beval zich aan in de gunst van zijn
rechters. De schepenen wilden echter eerst weer advies van de twee
eerder ingeschakelde rechtsgeleerden inwinnen.
Bezwaren
tegen de procedure
Dit
advies van de heren Cheeuws en Van Goor den Oosterling, dat
gedateerd is 26 augustus 1766, was vernietigend voor de tot dan toe
gevoerde procedure. De vrijwillige bekentenis van Hellemons was
naar de mening van de rechtsgeleerden zó vaag, zó oppervlakkig en
totaal zonder inhoud (zelfs de dag, het uur en de plaats en
bijzondere omstandigheden waren niet vermeld) dat het onmogelijk
was hier iets mee te doen. Het was daarom gewenst bij een
tussenvonnis te bepalen, dat eerst een nieuw uitvoerig verhoor zou
plaatsvinden. Hierin moest de volledige bekentenis worden
opgenomen. Het resultaat diende door de verdachte Hellemons te
worden ondertekend. Bovendien zou hem bij dat verhoor moeten worden
gevraagd, of hij iets tot zijn verdediging in te brengen had, en zo
nee, of hij dan niet verlangde, dat op zijn beken-
tenis
het recht zijn loop zou krijgen. Voorts werd er in het advies op
gewezen, dat aan een 'domiciliair ingeseeten', dat is dus aan een
in de plaats zelf gevestigde persoon, ook al had hij een volledige
bekentenis afgelegd, niet kon worden geweigerd desgewenst een
advocaat en/of een procureur voor zijn verdediging in te schakelen.
Nu Hellemons zelf had verklaard zich in de gunst van de rechters
aan te bevelen, eiste
dit
van de rechters om extra nauwlettend te werk te gaan. Bovendien
gaven de heren in overweging, nadat Hellemons de verbeterde
bekentenis zou hebben afgelegd, zijn vrouw en naaste verwanten, zo
zij daar prijs op stelden, de gelegenheid te geven de gevangene te
bezoeken en te spreken.
Vrouw
Hellemons had ook niet stilgezeten. Tegen de gevolgde gebrekkige
en formeel onjuiste rechtsgang liet zij een protest indienen bij
de president-schepen Anthony van Wijtvliet en bij drossaard Banier. Dit protest was
opgesteld door de Oudenbossche procureur François Jacobus de
Klerck, die vermoedelijk ook eerder het door Hellemons bij de
eerste dagvaarding overgelegd 'notul' of notitie had geredigeerd.
Fel verzette zij zich tegen de behandeling van de zaak achter
gesloten deuren ('oft in geslotene vierschaer'), alsof de
beschuldiging tegen haar man het daglicht niet kon verdragen,
ofwel dat het delict zo 'atroce' (afgrijselijk) of 'schandaleus'
zou zijn, dat het iedere ingezetene zou shockeren en tot grote
ergernis zou strekken.
Ook
werd geprotesteerd tegen het feit, dat haar man, nu hij bekend
had, blijkbaar geen recht op verdediging zou hebben, 'soo als men
gewoon is tegen vagebonden en landlopers'. Tenslotte deelde zij
mee, dat over de in haar ogen onwettige en waardeloze procedure
voorziening was gevraagd bij de Raad van Brabant.
Een
ondertekende bekentenis
Het
procedurele bezwaar van vrouw Hellemons was - zij het met andere
woorden -nagenoeg gelijk aan dat van de rechtsgeleerden. Toen dan
ook de schepenbank op 26 augustus 1766 weer rechtsdag hield,
besliste zij dat conform het advies van de rechtsgeleerden een
nader verhoor zou plaatsvinden.
Dit
nader verhoor vond al plaats op de volgende dag, 27 augustus
1766. Vijftien vragen werden voorgelegd. Vijf schepenen waren bij
dit verhoor aanwezig, alsmede de substituut-griffier Fabritius.
Hellemons bekende nu alle naar voren gebracht feiten.
Alleen
over het tijdstip, waarop de klappen waren uitgedeeld, bleef
verschil van mening.
Hellemons
hield vol, dat hij tussen zes en zeven uur 's avonds naar huis gegaan
was. Hij moest toegeven, dat hij geen reden had gehad om Biemans
zo vreselijk toe te takelen, maar hij verklaarde nogmaals, dat
hij 'door de drank bevangen en zwaar beschonken' was geweest. Hij
had na het gebeurde wel gehoord, hoe ellendig het met zijn
slachtoffer gesteld was. Op de vraag, of hij er ooit over
nagedacht had, dat het een geluk was dat hij Biemans niet had
doodgeslagen. antwoordde hij.
dat
hij dat gisteren ook gedacht had. Schijnbaar was het niet eerder
tot hem doorgedrongen, dat het ook anders had kunnen aflopen.
De
schepenen vroegen hem nog, of hij er niet van overtuigd was, dat
tot de veiligheid ('securiteijt') van alle ingezetenen dergelijke
zaken niet ongestraft mochten blijven.
Hellemons
zei 'soo wijs niet te zijn en sulcx niet te weeten'. Maar tot
zijn verontschuldiging kon hij opnieuw alleen inbrengen, dat hij
zwaar beschonken was geweest. Hij kon er zich mee verenigen. dat
aan hem na deze bekentenis recht zou worden gedaan. Hij had wel
honderdduizend maal berouw gehad over het gebeurde. maar hij verklaarde
niet te weten, dat hij straf had verdiend. De verklaring werd
door Hellemons en de verdere aanwezigen ondertekend.
Hierna
kwamen de schepenen met de drossaard in gespannen vierschaar
bijeen. De drossaard bleef weer bij zijn eerdere eis om recht te
doen. De schepenen, door de ervaring voorzichtig geworden, gingen
eerst weer bij de rechtsgeleerden in Breda te rade.
De
Raad van Brabant had inmiddels de klacht van vrouw Hellemons
ontvangen. Deze was opgemaakt en ingediend door de procureur De
Klerck. Daarin had zij gewezen op de procedurefouten en op de wel
onmenselijke behandeling door de schepenbank van haar man, die
'altoos bij een iegelijk voor een braef, eerlijk en ordentelijk
persoon heeft te boek gestaan'.
Op
29 augustus 1766 besliste de Raad van Brabant, dat de beide partijen of hun gemachtigden hun belangen op
maandag 15 september 1766 in Den Haag voor twee commissarissen
uit zijn midden, de heren Van Persijn en Van Minninghen, konden
komen bepleiten.
Wat
daar behandeld is, ontgaat ons, maar het zal wel de oorzaak
zijn geweest, dat het vonnis werd uitgesteld.
Door
de vorster Gasper Gok werd op 10 september 1766 een
schriftelijke insinuatie
(gerechtelijke
aanzegging) aan de vrouw van Hellemons bezorgd; de inhoud ervan
is niet te achterhalen. We weten dit alleen, omdat de vorster
hiervoor een bedrag van 15 stuiver in rekening bracht. Op 25
september 1766 ging hij nogmaals naar vrouw Hellemons om haar
te zeggen, dat het tijd werd om de oogst binnen te halen om
schade eraan te voorkomen ('dat sij de graanne op het velt sal
eijnsamle op dat die niet bederven sullen'). Dit was zeker geen
vriendendienst, want Gok rekende voor deze boodschap 8 stuiver.
Wie hem daartoe opdracht had gegeven, vermeldde hij niet.
Op
29 september 1766 viel 'in naam van de markies van Bergen op
Zoom' eindelijk het vonnis van de schepenbank. Hellemons werd
veroordeeld om zes jaren door te brengen in een tucht- of
rasphuis om daar door eigen arbeid de kost te verdienen.
Verder
werd hij voorgoed uit het Markiezaat van Bergen op Zoom
verbannen en hij diende ook de gerechtskosten ('kosten en
misen') te betalen. Ofschoon we geen vergelijkingsmateriaal
hebben, komt deze straf ons zeer zwaar voor. Ongetwijfeld werd het
delict niet als een ordinaire burenruzie beschouwd, maar als
een aanslag op een 'gezworen bogter en 's Heren dienaar', die
toen gekleed was 'met de livrei des abts van St. Bernards aan
de Schelde, Heer van de heerlijkheid St. Maartenspolder', dus op
een ambtenaar in functie. Of zouden er eerder wel eens klachten
over Hellemons geweest zijn, die nu meteen verrekend werden?
Het kwam meer voor, dat bijvoorbeeld notoire dronkaards op die
manier voor een tijdje uit de maatschappij werden verwijderd.
Maar zes jaar is, dunkt ons, wel erg lang.
Het
vonnis werd op 1 oktober 1766 openbaar gemaakt. In huize
Hellemons moet de klap hard aangekomen zijn. Vrouw Hellemons
bleef achter met haar twee dochtertjes, een van ruim zes jaar
en een van bijna twee jaar. Zij was bovendien in blijde
verwachting. Alle roerende goederen waren geïnventariseerd en
er rustte dus feitelijk beslag op.
Op
1 oktober 1766 liet zij door haar procureur De Klerck bij de
schepenbank een protest deponeren tegen het vonnis. Verwezen
werd daarbij naar de eerder aangevoerde argumenten, met name de
vormfouten, die het vonnis van nul en generlei waarde zouden
maken.
Vrouw
Hellemons liet weten voornemens te zijn een beroep te doen op
de Raad van Brabant.
Maar
al na acht dagen legde zij het hoofd in de schoot. Zij
verscheen op 9 oktober 1766 voor de schepenen met de
mededeling, dat zij het verzoek van 1 oktober 1766 introk ('te
desisteren en te renuntieren') en zich in het vonnis te
schikken. Heeft zij over dit besluit met haar gevangen man
kunnen overleggen? Als de schepenbank het advies van de
rechtsgeleerden heeft opgevolgd, dan zal Hellemons na zijn
schriftelijke bekentenis wel met zijn vrouw hebben kunnen
spreken. Hellemons werd in het gevang zwaar bewaakt. Uit een
declaratie van Gasper Gok blijkt, dat de vorster zelf
zestien
keer wacht had gelopen bij de gevangene en dat hij van 17
september tot 13 oktober 1766 26 'rotten' burgerwachten
gecommandeerd had voor de bewaking van Hellemons.
|
Naar
het tuchthuis
De
schepen Judocus van Campenhout nam de taak op zich om voor
Hellemons een plaatsje te krijgen in het tuchthuis in
Middelburg. Op 13 oktober 1766 scheepte hij zich in
Oudenbosch in.
Twee
gerechtsdienaren brachten Marijn Hellemons op de boot van
Michiel Timmermans en voeren mee. In Middelburg leverden zij
de gevangene af in het tuchthuis. Van Campenhout betaalde
daar 60 gulden voor één jaar 'confinement' (opsluiting in een
verbeterhuis). De Middelburgse baljuw moest ook wat
toegestopt worden en de vader van het tuchthuis (we zouden nu
spreken van de directeur) werd met een douceurtje goed
gestemd. Alles bij elkaar kostte de trip van zes dagen (inclusief
de 'confinementskosten') 161 gulden en 16 stuiver. In
criminele zaken keek het Hoevense dorpsbestuur blijkbaar niet
op een paar centen.
De
financiële afwikkeling
De
verpachters van de door Hellemons bewoonde boerderij, de
kinderen De Clercq te Stavenisse, opgeschrikt door de
veroordeling van hun pachter, wilden hun pachtsom veilig
stellen. Het ging om een bedrag van 576 gulden 3 stuiver en 9
penning. Na verkregen toestemming van de Hoevense schout Jac.
Kuijpers en met een beroep op het hun toekomende grondrecht
lieten ze op 14 oktober 1766 via procureur De Klerck te
Oudenbosch alle onroerende goederen, vee, granen enzovoort op
de boerderij van Hellemons ‘in arrest of besettinge' nemen.
Hellemons werd gedagvaard om voor de schepenbank de civiele
'eis en conclusie’ over dit beslag te komen vernemen. De procureur
De Klerck liet daarop door de schepenen Adriaan van Eekelen
en Jan van de Riet een inventaris opmaken van de goederen,
waarop het beslag berustte.
Maar
ook drossaard Banier zat niet stil. Hij had maar liefst 890
gulden te vorderen voor de procedurekosten. Hij vroeg de
schepenbank toestemming de eigendommen van Hellemons publiek
te verkopen. Op dit verzoek werd gunstig beschikt.
Vrouw
Hellemons zat nu in een moeilijk parket. Op 18 oktober 1766
verscheen zij
voor
de schepenen Anthonij van Wijtvliet en Jan van de Riet en
verklaarde afstand te doen ten behoeve van de verpachters van
alle gewassen die nog op het veld stonden, van alle granen en
vruchten in de schuur, van de paarden en beesten en van

|
|
alle melkgereedschappen, meubelen, huisraad
enzovoort. Zij deed ook afstand van de lopende pachtrechten
van de boerderij. Namens zijn broer en zus als
medeverpachters verklaarde Theodorus de Clercq zich hiermee
akkoord.
Ondanks
deze beslaglegging - maar wellicht juist daarom - zette de
drossaard de publieke verkoop van de goederen van Hellemons
door. Al op 20 oktober 1766 vond deze plaats. Het in de
schuur opgeslagen koren en hooi, alsmede enkele koeien kocht
vader Joos Hellemons; het nieuw linnen in de kast kocht
Catharina Hellemons; de rest ging naar vreemden. De kleding
van man en vrouwen andere zaken zoals een bed. een peluw,
lakens en dekens werden eveneens geveild. Ook vijf koeien,
een stier, een kalfje en twee paarden gingen over in andere
handen. De netto-opbrengst, dus na aftrek van de kosten voor
de schout, schepenen, secretaris, vorster en anderen, bedroeg
651 gulden 6 stuiver en 14 penning. De schuld aan de
drossaard en de familie De Clercq was samen 1466 gulden 3
stuiver en 9 penning. Daar was dus het laatste woord nog niet
over gesproken. De opbrengst werd in de consignatiekas
(bestemd
voor in bewaring genomen gelden) op de dorpssecretarie
gestort. De schepenbank moest nu beslissen aan wie de gelden
konden worden uitgekeerd. De procedure 'in cas van
preferentie', dus wie het eerste rechten erop kon doen
gelden, begon op 13 mei 1767. Na ingewonnen advies van de
rechtsgeleerden besliste uiteindelijk de schepenbank op 1
oktober 1767, dat uit de opbrengst allereerst de
gerechtskosten moesten worden betaald. De verpachters vielen
dus uit de boot. Ze hebben tegen
deze
uitspraak nog appel aangetekend, maar zonder resultaat. De
drossaard kreeg later nog eens 150 gulden uit de dorpskas.
Ook
vrouw Hellemans had voor de rechtskundige bijstand een
rekening te voldoen.
In
die turbulente tijd had zij aan haar schoonvader Joos
Hellemons volmacht gegeven om namens haar 'practizijns' in te
schakelen. Vader Hellemons had waarschijnlijk zelf op die
rechtskundige bijstand voor zijn zoon aangedrongen. Hij had
de afspraak gemaakt, dat hij de daaraan verbonden kosten zou
betalen. Deze toezegging was hij evenwel niet nagekomen.
Vrouw Hellemons gaf in oktober 1774 (haar man was toen al
weer vrij) aan François Clement, notaris en procureur te
Steenbergen, en François Jacobus de Klerck, notaris en
procureur te Oudenbosch, opdracht om hierover voor het
gerecht te Hoeven te procederen, om aldus te bereiken, dat
haar schoonvader alsnog zijn belofte zou nakomen. Om welk
bedrag het ging is niet bekend. Door de Hoevense meier Frans
de Gester werd op 26 oktober 1774 de dagvaarding aan Joos Hellemons
uitgereikt. Die nam de zaak blijkbaar nogal laconiek op, want
hij had
geantwoord:
'Het is wel, ik zoude nu wel bij de heer notaris Clement en
de Klerck komen, maar ik zijn onpasselijk, dog ik zal ten
eersten komen'. Het civiel geding werd niet verder
voortgezet.
Vader
Hellemons zal dus wel over de brug zijn gekomen. Maar of de
familieverhoudingen er beter op geworden zijn, is te
betwijfelen.
Vervroegde
vrijlating
Hoe
het Hellemons in het tucht- of rasphuis in Middelburg is
vergaan, zal wel altijd een raadsel blijven. Het archief van
deze instelling is bij het bombardement van Middelburg door
de Duitse Luftwaffe in mei 1940 geheel verloren gegaan. De
tuchthuizen waren vooral bedoeld om landlopers, bedelaars en
verkwisters eraan te gewennen met hun handen de kost te
verdienen. De binnenvader exploiteerde onder
meer
de winning van verfstof uit tropisch hout via een proces van
raspen, logen en zeven; daarom sprak men ook wel over het
rasphuis. Het Middelburgse tuchthuis had als specialiteit nog
het maken van
|
|
zeildoek in opdracht van de Verenigde Oost-Indische
Compagnie (VOC). Nu geloven wij niet, dat Hellemons eraan
gewend moest worden met zijn handen de kost te verdienen. Een
Hoevense boer uit die tijd zal wat dat betreft niet veel te
leren zijn geweest. Voor Hellemons was deze vrijheidsbene-
ming
dan ook inderdaad een straf, die, nu hij was opgesloten met
het schuim der natie, niet veel kon bijdragen aan een beter
functioneren in de maatschappij. De levensomstandigheden in
het tuchthuis waren slecht. De vertrekken waren vochtig en er
was vrijwel geen ventilatie. De gevangenen sliepen in
hangmatten. Er was veel ongedierte in en om de behuizing en
als het begon te vriezen kreeg elke gevangene twee turven per
dag om zich te warmen.
Na
vijf jaar vrijheidsberoving kwamen de regenten van het
tuchthuis blijkbaar tot dezelfde conclusie. Vanwege zijn goed
gedrag besloot het gerecht in Middelburg Hellemons op 11
oktober 1771 uit het tuchthuis te ontslaan. De regent tevens
ontvanger van het tuchthuis, Hendrik de Timmerman, deelde dit
bij brief van 30 augustus 1771 aan de drossaard en schepenen
van Hoeven mee. Hij informeerde of Hellemons vanuit Hoeven
zou worden opgehaald om daar zijn verbanning opnieuw
aangezegd te
krijgen.
Zo niet, dan zou hij door een gerechtsdienaar van Middelburg
aan een beurtschipper op Antwerpen worden meegegeven.
Hellemons had gesuggereerd dat hij naar Antwerpen wilde gaan.
De Hoevense schepenen wilden echter eerst een advies van twee
rechtsgeleerden. De heren Damissen en Van Goor den Oosterling
wezen erop, dat het Middelburgs gerecht rechtens geen
bevoegdheid bezat om een vermindering van straf te geven aan
iemand van buiten zijn stad of provincie, die door een
rechtbank
in de Generaliteitslanden veroordeeld was. Het zou zich
daarmee het recht van gratie aanmatigen. Evenwel scheen het
een gebruik te zijn, dat algemeen aanvaard was. Er kon dus
een beroep op het gewoonterecht worden gedaan.
Anderzijds
was het voor de rechtsgeleerden moeilijk om een advies te
geven. De Hoevense schepenbank kon in het besluit van
Middelburg berusten of Hellemons ophalen en trachten hem nog
een jaar in een ander tuchthuis onder te brengen.
Indien
tot het laatste werd overgegaan, was het raadzaam dit vooraf
niet aan Middelburg te laten weten om gevoeligheden te
vermijden.
De
Hoevense schepenbank had het moeilijk met dit advies. De
dorpssecretaris werd naar Breda gestuurd om nader te
overleggen. Het wilde er bij de Hoevense dorpsregenten niet
in, dat een gerecht buiten Brabant de door hen opgelegde
straf zo maar kon verminderen. Naar aanleiding hiervan werd
door de rechtsgeleerden een nieuw advies met conceptbrief
opgesteld. Hierin werd de Middelburgse rechtbank duidelijk gemaakt,
dat de Hoevense schepenbank het met de strafvermindering door
die
rechtbank
niet eens kon zijn. Hellemons was bij een 'gemodereerd' (rechtsgeldig)
vonnis, gelet op de zwaarte van het misdrijf, tot een
zesjarige tuchthuisstraf veroordeeld. Zij kon derhalve de
vermindering met een jaar niet goedkeuren, temeer niet omdat
zij daartoe op grond van de bestaande rechtsregels geen
enkele bevoegdheid bezat. Ook twijfelde zij aan de
bevoegdheid in dezen van de Middelburgse rechtbank; die had
met de strafmaat geen enkele bemoeienis gehad. In Middelburg
hadden ze Hellemons alleen in bewaring op grond van een
gesloten contract. De Hoevense schepenen weigerden om Hellemons
te laten afhalen en behielden zich het recht voor om tegen de
vrijlating te protesteren.
De
Hoevense rechtbank nam dit advies over en op 26 september
1771 schreef zij in die zin naar de president en regenten van
het Middelburgse tuchthuis. Die legden
|
|
deze brief voor aan de regerend burgemeester van Middelburg.
Deze wilde, zoals uit de brief van de regent tevens ontvanger
De Timmerman van 8 oktober 1771 bleek, niets aan het
ontslagbesluit veranderen. Dat besluit om Hellemons te ontslaan
was geen beslissing over een gevangene van een ander gerecht,
maar vloeide alleen voort uit het contract, waaraan alle
gerechten die hun gevangenen aan het tuchthuis
toevertrouwden, waren gebonden en waarmee ook het Hoevense gerecht
had ingestemd. Overigens bleef de Hoevense schepenbank vrij
om Hellemons te komen halen om hem
elders
de rest van zijn straf te laten uitzitten. In afwachting van
nadere berichten uit Hoeven zou Hellemons in het tuchthuis
blijven.
De
Hoevense schepenbank was door dit antwoord blijkbaar gerust
gesteld. Voor alle zekerheid werden de rechtsgeleerden weer
ingeschakeld. Die waren van mening, dat op grond van het
contract met het tuchthuis de Hoevense schepenen niet van
verwijtbare nalatigheid konden worden beschuldigd.
Op
15 oktober 1771 deelde de Hoevense schepenbank dan ook mee in
te stemmen met het besluit tot vrijlating van Hellemons. Ze
zou Hellemons niet laten ophalen om hem elders te plaatsen;
hiertoe
had
ze trouwens geen gelegenheid. Wel verzocht zij uitdrukkelijk
Hellemons bij zijn ontslag te herinneren aan zijn verbanning
uit het Markiezaat van Bergen op Zoom en hem dringend aan te
raden zich daaraan te houden. Na ruim vijf jaar was Hellemons
dus weer vrij man.
|
|
Van Oudenbosch naar Etten
Na
oktober 1771 komt Marinus Hellemons niet meer voor in de
boeken van het Hoevense gerecht. Maar waar bleef het gezin
Hellemons-Dam? Vrouw Hellemons liet op 22 december 1766 haar
dochtertje Maria in de Hoevense kerk dopen. In de Hoevense
gemaallijst over 1767 vinden we haar niet vermeld. De door
Hellemons gepachte boerderij was in januari van dat jaar
gekocht door zijn vader Joos Hellemons. Die verpachtte haar
aan zijn zoon Jan, die getrouwd was met Comelia Buijs. Vrouw
Hellemons-Dam vinden we in 1767 vermeld in het kohier van het
hoofdgeld te Oudenbosch onder het Oud Land als 'Adriana Dam
de vrouw van Marijnis Hellemonts'; zij was vrijgesteld van de
betaling van het hoofdgeld. Dat betekent, dat zij dus tot de
armen gerekend werd. In de kohieren over 1768 tot en met 1770
wordt zij vermeld als wonende aan de zuidzijde van de 'Cuype'
(kom) van het dorp Oudenbosch. Ook over deze jaren werd zij
niet aangeslagen. In het laatste jaar (1770) staat zij te
boek als 'de weduwe Marijn Helmonts'. Dit is een vergissing,
want Marijn was nog springlevend. Maar na zijn ontslag uit
het tuchthuis kon hij zich niet
in
Oudenbosch vestigen, want die plaats ressorteerde onder het
Markiezaat van Bergen op Zoom; hier gold dus zijn verbanning
ook.
Vrouw
Hellemons is toen naar Etten onder de Baronie van Breda
vertrokken, waar haar man zich bij haar voegde of wellicht
was het andersom. In de Ettense gemaallijst over 1772-1773
komt het gezin voor onder de Bremberg: 'Marijnis Helmonts en Adriana
van Dam (2 hele, dus personen boven de 16-jarige leeftijd),
Elisabeth. Geertruy, Maria Helmonls en Jan van Staey (4
halve). Op 4 februari 1773 werd zoon
Marijnis
te Etten gedoopt met als peter en meter Petrus Dam en Lucia
Hellemons, gehuwd met Jacobus Nollen. In het Ettense kohier
van het gemaal over 1773-1774 werd deze Marijnis aan het
gezin toegevoegd. In het jaar daarop was in plaats van Jan
van Staey Jacob Vermunt bij het gezin inwonend. Deze Vermunt
was eveneens jonger dan zestien jaar. Mogelijk had Hellemons
de boerenstiel weer opgenomen en waren Van Staey en Vermunt bij
hem werkzaam als knechtje of koewachter. In de
daarop
volgende jaren was er telkens een andere knecht: in 1775-1776
Geert Harmans, in 1777-1778 Laureijs de Geer en in 1779-1780
Paulus van Rijsbergen. De eerste twee waren zestien jaar of
ouder. Dochter Geertruij Hellemons werd in het kohier van
1779-1780 niet meer genoemd.
Spoorloos
In
november 1780 trouwde dochter Elisabeth Hellemons met
Johannes Anthonisse Giesbergen en trok bij haar moeder in.
Vader Marijnis wordt vanaf de gemaallijst over 1780-1781 niet
meer genoemd.
Het
eerstvolgende levensteken van hem vinden we op 12 maart 1785.
Toen was hij peter over zijn kleinzoon Antonius van
Giesbergen.
Hij
woonde echter niet in Etten, want in de gemaallijsten komt
hij niet voor. Inmiddels was zijn vrouw Adriana Dam te Etten
overleden op 15 november 1784. In de gemaaIlijst van Etten
over 1783 komt zij voor de laatste maal voor, nu onder de
Neerstraat met haar kinderen Maria. Geertruij en Marijnis.
In
de gemaallijst van het jaar daarop woonden die drie kinderen
onder de Bremberg en voerden kennelijk samen een huishouding.
Ze bleven dit doen tot Maria rond 1788 trouwde met Jan van
Gurp.
Ook
vader Joos Hellemons was al overleden, toen Marijnis zijn
kleinzoon in 1785 ten doop hield. De oude Hellemons werd 89
jaar. Op 12 augustus 1784 werd hij in Hoeven begraven. Moeder
Geertruij Jans van Eekelen was hem al voorgegaan.
|
|
Zij
overleed op 5 februari 1771. In het rechterlijk archief van
Hoeven vinden we een aanzet voor de staat en inventaris van
de door Joos Hellemons nagelaten boedel. De inventaris is niet
afgemaakt, dus ook niet gedateerd of ondertekend. De
erfgenamen worden niet genoemd.
Dochter
Geertruij trouwde op 2 mei 1790 met Pieter Willemse
Hopstaken. Haar broer Marijnis woonde bij dit echtpaar in.
Marijnis junior tenslotte trouwde op 13 januari 1799 te Etten
met Johanna Pieterse Franken. Vader Marijnis duikt dan
plotseling na twintig jaar voor ons onvindbaar te zijn
geweest, weer op en vindt een plaatsje bij de haard van zijn
zoon in Etten. Het blijft voorlopig een raadsel, waar hij
tussen 1780 en 1800 gewoond heeft.
Het
slachtoffer van die zomeravondruzie in juli 1766, Anthony
Biemans, heeft - zover bekend - geen nadelige gevolgen van de
vechtpartij overgehouden. Hij overleed op 1 april 1791 te
Hoeven; hij werd 83 jaar. Zijn vrouw, Cornelia de Coter, werd
88 jaar en stierf op 6 oktober 1794.
Zoon
Marijnis Hellemons boerde op de Bremberg en zijn bedrijf was
van dien aard, dat hij een knecht in dienst nam. Marijnis
senior zal vermoedelijk ook wel eens een handje hebben
toegestoken voor zover dat gezien zijn leeftijd nog mogelijk
is' geweest. Op 77-jarige leeftijd overleed hij in Etten op
17 januari 1808.

|
St Maartenspolder ligt ten Noorden van de Hoevense Beemdem tegen
de Mark aan. Vroeger was St Maartenspolder zelfstandig, had een
eigen schepenbank en hoorde kerkelijk bij Oudenbosch.
Het is een poldergebied omgeven met de Polderdijk en de
Goudbloemsedijk.
Er staan niet veel huizen, alleen boerderijen. Het oudste huis
van Hoeven staat hier en stamt uit 1677.
Een bochter of schutter was een door de heer aangestelde
functionaris, die als enige op het grondgebied van de heer
loslopend vee in een omheinde plaats, “een bocht”, mocht
brengen.
De eigenaar van het vee kon door het betalen van “bochtgeld” en
een eventuele boete zijn vee terughalen.
Biemans wordt ook “s heren dienaar” genoemd; hij zal dus ook
gerechtsdienaar geweest zijn van de St Maartenspolder of hij was
uit hoofde van zijn functie als bochter misschien
al ’s heren dienaar.
Het was een dienaar van de Heer, in dit geval de Abt van St
Bernaards en was een gezworene, d.w.z. had een eed afgelegd.
|
|
|
|
|
|
|
-
|